Gisteren was ik dichtbij het om zeep helpen van mijn wens een tweede marathon te lopen. Zoals vaak bij dit soort dingen, kwam de pech bijzonder onverwacht.
Het was een prachtige dag. Er stond een run van 60 minuten op het programma waarin ik heel veel zin had. Met de Stevensloop vers in het geheugen, fitte benen en een nieuwe mobiele telefoon -inclusief goede camera- weerhield niets mij ervan een lekker stukkie te rennen.
De Amstel leek mij bij dit weer de uitgesproken plek om mijn training te combineren met het testen van de camera. Zo’n blog schrijven is namelijk enorm leuk maar ik vind dat je ook moet proberen om het geheel een beetje op te fleuren met (het liefst) mooie foto’s. Dat is nog niet zo eenvoudig! Zeker het maken van een goede ‘selfie’ terwijl je rent, vraagt om oefening. Ik bedoel; je moet er onder andere voor zorgen dat de achtergrond aantrekkelijk is, dat je niet heel pissig/lelijk/sacherijnig kijkt, dat de foto niet bewogen is, dat de lichtval ok is, enzovoorts.
Dus ik ging aan de slag… Ik maakte al rennend de ene na de andere foto zodat ik thuis zou kunnen kijken of er wat goeds tussen zit.

Ik dacht nog: ‘best gevaarlijk dit’! ‘Als je niet uitkijkt, ga je zo onderuit’! Ik maakte nog enkele foto’s van mezelf onder meer bij een molen omdat Blogger Gabriella dit geregeld doet tijdens haar runs. Het leek me leuk om ze bij wijze van knipoog naar haar te sturen. Na een laatste ‘shoot’ nabij een bootje borg ik mijn toestel op. Nu kon ik pas echt ontspannen trainen.

Door de voorjaarszon genoot ik optimaal van deze run en dacht ik eraan hoe bevoorrecht ik me voel dat ik deze sport kan en mag beoefenen. Ik was toen al bezig aan de terugweg en liep nu met lichte tegenwind langs de rivier richting het centrum.
Mijn gedachten verplaatsten zich naar de Coolsingel, naar Rotterdam. Ik vroeg me af hoe mijn schema er vlak voor DE dag eigenlijk uitziet. Ik had daar nog niet naar gekeken. Zou ik dan nog steeds van die intensieve intervals lopen op de donderdagavond? Of bouwen we af? Ik zag mezelf rondjes rennen op de track van het olympisch stadion waar we altijd trainen met de Phanos marathon groep. ‘Je zal vlak voor de grote dag maar vallen tijdens zo’n training’ schoot vanuit het niets door me heen.
En van het ene op het andere moment lag ik op de grond. Ik was -semi- ‘over de kop geslagen’. Ik weet wel dat ik viel en ook hoe (het leek op zo’n judoworp) maar ik heb geen boomstronken of ‘opstaande’ tegelranden gezien. Het eerste dat ik voelde en zag was mijn bebloede hand. Ik probeerde meteen mijn vingers te buigen om te testen of er iets gebroken was. Een hardloopster die eerder achter me liep, schoot me te hulp. Ik zag aan haar blik dat er iets in mijn gezicht ook niet klopte. Later bleek mijn zonnebril mijn wenkbrauw beschadigd te hebben; het pootje van de bril was afgebroken en het scharniertje heeft mijn wenkbrauw ‘gepierced’. Pas veel later voelde ik de pijn in mijn rechter schouder. Toen was ik al doorgerend naar huis om snel naar de buurman te gaan die tevens onze huisarts is.

Ondanks dat het geen spreekuur was, hielp hij me direct (echt een toffe buurman/huisarts!). Hij testte op botbreuken, ontsmette alle wondjes, stelde vast dat mijn hand niet gehecht kan worden, dat mijn wenkbrauw het beste ‘au naturel’ kan genezen en dat ik een tetanus injectie nodig had.
Toen ik thuis kwam drong pas tot me door hoe erg ik geschrokken ben. Veel mensen hebben me daarna een pechvogel genoemd maar ik voel me juist een enorme geluksvogel. Het had zomaar veel erger kunnen aflopen. Dat ik dan de 36ste editie van de marathon van Rotterdam aan mijn neus voorbij had moeten laten gaan was geen ramp geweest maar wel HEEEEEL erg jammer. Ik ben ‘one lucky woman!’