Screenshot_20180211-153906-01Mensen lopen hard met verschillende redenen en doelen. Die kunnen door de tijd heen uiteraard ‘verschuiven’. Twee en een half jaar lang liep ik -niet zonder reden- maar wel doelloos rondjes van 5 tot maximaal 16 kilometer. En de ’10km-of-meer-loopjes’ waren dan echt een grote uitzondering.
Sinds twee en een half jaar train ik ‘serieus’. Hoewel er regelmatig gelachen wordt en ik graag met anderen op pad ga is het vrijblijvende ‘ik doe maar wat’-verhaal niet langer van toepassing.
Ik volg mijn schema’s nauwgezet en sla eigenlijk zelden een training over. Vroeger (zonder trainers en schema’s) liep ik op afstand, tegenwoordig op tijd. Ik loop nu dus niet 21 kilometer maar bijvoorbeeld 120 minuten op een bepaald tempo. En hoewel ik eerst bij een andere trainer liep die mij anders trainde, is 1 ding hetzelfde gebleven: de variatie in ‘loopjes’. Die variatie kent dan ook wel weer een soort voorspelbaarheid want ik kan ter plekke, zonder mijn schema’s te bekijken, vertellen hoe mijn loopweken er uitzien.
Zo’n anderhalve week geleden stond er op vrijdag een experiment op het programma. Na even warm lopen, moest ik  ‘op een bepaald tempo’ 5 minuten heen lopen op een zo recht mogelijke weg. Dat op zich was al even zoeken in ons dorp dat ineens uit enorme hoeveelheden kronkelwegen leek te bestaan. Na 5 minuten moest ik omkeren en hetzelfde stuk terug lopen in 4 minuten. ‘Een bepaald tempo’ zorgde aanvankelijk voor wat vraagtekens bij mij maar eenmaal aan het lopen, kwam al snel het besef dat ik zou moeten leren inschatten hoe ik dezelfde afstand in minder tijd terug zou kunnen afleggen. Dat je op de ‘heenweg’ niet te hard moet gaan merkte ik vooral toen ik dezelfde opdracht moest uitvoeren bij 4 minuten heen, 3 terug en zo verder naar 3 heen en 2 terug tot uiteindelijk 2 heen en 1 terug. Hoe korter de tijd ‘heen’ werd, hoe meer moeite ik kreeg om in de nog kortere tijd de terugweg af te leggen. Ik moest mezelf echt pushen en zelfs toen haalde ik het niet om in 1 minuut de afstand terug te rennen die ik in 2 minuten (naar mijn idee redelijk rustig) heen had overbrugd. Kan je me nog volgen? Hoe dan ook; ik leerde wederom dat de juiste snelheid voelen en leren inschatten een kunst is.Screenshot_20180208-173451-01
Dat bleek ook tijdens de Midwinter marathon die ik onlangs liep. Omdat de Kopenhagen marathon pas in mei plaatsvindt, zou ik deze 25-kilometer wedstrijd niet gebruiken als ‘proef’. Het zou gewoon een lange duurloop worden maar wel wat sneller dan normaal. “Loop de eerste 15 kilometer maar op 5 minuten per kilometer en de laatste 10 km op 4.45 per kilometer” Zei Tiny. Dus zo geschiedde. Dat ik de eerste kilometers harder liep dan de bedoeling was, vond ik niet zo heel gek. Dat gebeurt mij eigenlijk bij alle races in de beginfase. Maar dat het zo makkelijk voelde en dat ik het gevoel had dat ik keurig het gewenste tempo liep, blijf ik zo’n raar fenomeen vinden! Ook na veel meer kilometers, toen mijn GPS in het bos moeite kreeg het juiste tempo weer te geven en ik dus op mijn eigen tempogevoel moest vertrouwen, bleek naderhand dat ik vaak te snel liep. Toch voelde het allemaal heerlijk. Ik kwam onderweg soms een bekende tegen en maakte dan een praatje dat mij totaal geen inspanning kostte! En dat bij een tempo waarvoor ik ‘thuis’ mijn ademhaling onder controle moet houden en een parcours dat hier en daar behoorlijk wat ‘klim’ kent. Van andere lopers hoor ik eigenlijk zonder uitzondering dezelfde ervaring; lopen op een ‘onaangenaam tempo’ tijdens een wedstrijd voelt ‘ineens’ heel prima. Hoe kan dit?
Screenshot_20180211-154038-01Dat ik in Amsterdam meer dan 42 kilometer een tempo van 4.50/kilometer volhield is ook zo’n ‘wonder’. Eergisteren hield ik tijdens mijn duurloop met moeite een tempo van 5.45 vast terwijl ik maar 22 kilometer heb afgelegd.
Natuurlijk zijn er voor de hand liggende redenen zoals ‘de vorm van de dag’ die heel veel zaken tegelijk behelst (eergisteren had ik tijdens mijn zondagse duurloop bijvoorbeeld vermoeide benen door een hills training die ik te kort op de duurloop gepland had). Ik kan me ook nog voorstellen dat je voor een wedstrijd extra aandacht besteedt aan voeding en rust. Dat doe ik namelijk meestal wel maar bij de Midwinter marathon had ik niks bijzonders gedaan op dat gebied en toch ging alles zo enorm makkelijk. Het verschil moet hem dus zitten in iets dat er tijdens reguliere loopjes ‘thuis’ niet is.
Zonder wetenschappelijk onderzoek maar wel na goed nadenken, kom ik tot de volgende simpele conclusie: De reden dat lopen tijdens wedstrijden vaak zoveel makkelijker voelt en dat er daardoor ook vaker PR’s gelopen worden, zit in de aanwezigheid van publiek en ‘concurrerende’ lopers. Hierdoor wordt je focus anders vermoed ik. Het krijgen van een medaille en het feit dat er naderhand een overzicht is waarop staat hoe je het hebt gedaan ten opzichte van anderen helpt wellicht ook mee. Eén van die drie of een combinatie ervan moet de oorzaak zijn.Screenshot_20180208-173317
Ik kan niets anders bedenken maar ik roep eenieder die hier goede ideeën over heeft, er een studie naar heeft gedaan of die keihard bewijs kan overleggen 😉 op dit met mij te delen zodat ik een volgende keer niet wéér mijn hoofd blijf breken over dit vraagstuk.
 
\